TOPKAPI 

Ga niet af op de smetteloosheid van iemands tulband: misschien is de zeep waarmee hij gewassen is niet betaald

Kort na zijn verovering van Constantinopel bouwde Mehmet II -Mehmet de Veroveraar- tussen 1459 en 1465 op het Seraglio-punt tussen de Gouden Hoorn en de Zee van Marmara, met uitzicht over de Bosporus, het Topkapi Paleis als zijn voornaamste residentie. Hij woonde er tot zijn dood in 1481. Zijn opvolgers woonden er tot 1853. Toen verliet sultan Abdül Mecid I het Topkapi Paleis en ging wonen in het Dolmabahçepaleis. In 1924 werd het Topkapi Paleis als museum opengesteld voor het publiek.
Aanvankelijk diende het Topkapi Paleis als regeringszetel en bezat het een school waar ambtenaren en soldaten werden opgeleid. In de 16e eeuw verhuisde de regering echter naar de Verheven Porte.
Topkapi groeide en veranderde met de eeuwen, hoewel het basisplan hetzelfde bleef.

Het Topkapi Paleis, wat zoveel betekent als het Kanonnenpoort-paleis naar een nabij gelegen poort,  bestaat uit 4 verschillende hoven met meerdere paviljoens. Het moet worden gezien als een stenen versie van de vroegere tentenkampen van de nomadische Ottomanen. In de bloeitijd woonden en werkten er 5.000 mensen. Het was dus een stad in de stad.

Achter de Keizerlijke Poort ligt de eerste van de 4 hoven. Aan de poort werden de afgehakte hoofden van verraders opgehangen. Vóór de poort staat de Fontein van sultan Ahmet III.  De 1e hof was ooit een dienstverlenend gebied. Er was een munt, een ziekenhuis, een college en een bakkerij en er waren opslagplaatsen. Op de binnenplaats zelf oefende het elitaire Janitsarenkorps, dat bestond uit christelijke rekruten die naar Istanbul waren gebracht om de sultan te dienen. Links van de poort staat de Aya Irini, die dateert uit de 6e eeuw. Het is één van de oudste kerken van de stad. Theodosius I riep hier zijn 2e concilie bijeen. Tijdens de Nika-opstand in 532 werd de kerk verwoest. Justinianus I liet hem herbouwen. De Ottomanen gebruikten de kerk als arsenaal. In de Aya Irini zou ooit het lichaam van Constantijn I hebben gelegen.

Imperial Hall

 

Troon in Imperial Hall

 

Appartments of the crown prince

 

Privy chamber of sultan Murad III

Achter de Begroetingspoort ligt de 2e hof. Süleyman I liet deze poort optrekken uit bewondering voor de Europese kastelen die hij tijdens zijn verovering van de Balkan had gezien. Het gebouw werd een gevangenis voor ter dood veroordeelden. Op de hof staat de Staatszaal, de politieke vergaderzaal voor de sultan, de grootvizier en andere vizieren -en in het Ottomaanse rijk soms ook de commandant van de Janitsaren- en hun belangrijkste medewerkers. Een venster met lattenwerk liet de sultan toe ongezien een bijeenkomst te volgen. Ook staan er het Parelpaviljoen uit 1595 en de 17e-eeuwse barak van de Hellebaardiers. Waarschijnlijk is in de 19e eeuw een klassieke spits aan de toren toegevoegd, van waaruit de sultan zijn paleis kon overzien.  Aan de rand van de hof liggen de keukens. Ook in het Ottomaanse Rijk was de keuken belangrijk. Hier werkten in de 17e eeuw niet minder dan 1.300 personeelsleden. Ze zorgden dagelijks voor alle maaltijden van 10.000 personen. Wat overbleef werd onder de bevolking verdeeld als 'koninklijke gunst'.

Plaat van een paleiskok met een tajine in zijn handen

Op de hof ligt ook de harem. Over wat een harem precies is, bestaan nogal wat misverstanden. Het woord is afgeleid van het Arabische haram, wat onder meer betekent: taboe, afgezonderd, gewijd, beschermd. Een harem is dát gedeelte van de woning, dat is voorbehouden aan de vrouwen, de concubines en de kinderen des huizes. Eén van de meest omvangrijke harems van het Midden-Oosten is die in Topkapi. Tot de 16e eeuw was de ruimte vrij klein. Oorlogen gaven sultans weinig kans op een privéleven. Daarin kwam een verandering met Süleyman I, de Prachtlievende. De harem van Topkapi bevat een badhuis, een hospitaal en keukens en zo’n 400 kamers die via een stelsel van gangen en binnenhoven met elkaar zijn verbonden. Aparte gedeeltes waren er voor de vrouwen onder leiding van de sultansmoeder en voor de vertrekken van de mannen. Als een aangename vorm van tijdverdrijf raakte oriëntaalse dans in de harem in gebruik. Niet alleen kunst, die het oervervelende leven in de harem draaglijk maakte, ook hasjiesj en opium zorgden voor ontspanning. De vrouwen van de harem kregen dagelijks onderricht in oosterse en westerse klassieke muziek, voordracht, buikdans en zelfs ballet, om het harde leven van de sultan te verlichten. 

De Poort van de Gelukzaligheid, ook wel de Poort van de Witte Eunuchen genoemd, leidt naar de 3e hof. In de Troonzaal ontving de sultan zijn belangrijke gasten. In het midden van de hof staat de bibliotheek van Ahmet III. Het is een marmeren gebouw, opgericht in 1719. Ernaast ligt de Schatkamer. De schatten van de sultans en de vizieren vervielen na de dood aan de staat en werden naar het paleis gebracht. Dit in tegenstelling tot de bezittingen van de vrouwen aan het hof. Daarom zijn er in de Schatkamer zo weinig vrouwensieraden te vinden. De beroemde, met smaragden bezette, gouden Topkapi-dolk en de Lepeldiamant zijn natuurlijk de topstukken. In een kabinet bij de troon, die een gift is van de sjah van Perzië, bevindt zich een wat ongewoon reliek: de botten van de hand van Johannes de Doper. 

Vooraan op de heuvel met zicht op de Zee van Marmara, de Bosporus en de Gouden Hoorn, ligt de 4e hof, met onder meer het Besnijdenispaviljoen waar jonge prinsen de stap naar de volwassenheid zetten, het Bagdadpaviljoen uit 1639, gebouwd door sultan Murat IV om de inname van Bagdad te vieren en het Iftariyepaviljoen, het balkon tussen het Besnijdenispaviljoen en het Bagdadpaviljoen, dat uitzicht biedt op de Gouden Hoorn. Op deze hof vierde de sultan met zijn vrouwen ook de Tulpentijd. In de 18e eeuw hadden de Ottomaanse sultans een grote voorliefde ontwikkeld voor tulpen.

Bagdadpaviljoen