BUCHENWALD

Buchenwald was tijdens WO II een concentratiekamp in nazi-Duitsland in een bosrijke omgeving bij de stad Weimar. Het bijna volledig van de buitenwereld afgesloten kamp werd in 1937 aangelegd door SS'ers en gevangenen. Buchenwald werd op 11 april 1945 om 15:15 uur bevrijd door de 6e Pantserdivisie van het 3e Amerikaanse leger. De klok boven de ingang van het kamp geeft die tijd nog steeds aan.

Klok met bevrijdingstijd

Het motto van het kamp was: Jedem das seine (Ieder het zijne).

Jedem das seine

In eerste instantie heette het kamp Konzentrationslager Ettersberg naar de locatie, maar werd al snel omgedoopt naar Konzentrationslager Buchenwald/Post Weimar op voorspraak van de cultuurcommissie van Weimar.

Heinrich Himmler gaf opdracht om Buchenwald te bouwen. Het kamp was berekend op 8.000 gevangenen en was in eerste instantie bedoeld voor politieke gevangenen en criminelen. De eerste 149 gevangenen -communisten, Jehova's getuigen, Roma en Sinti, criminelen en homoseksuelen- kwamen in kamp Buchenwald aan op 15 juli 1937. Ze waren afkomstig uit andere kampen, zoals Sachsenhausen en Lichtenburg. De gevangenen werden tewerkgesteld bij de aanleg van het kamp, de bouw van de barakken, kazernes en woonhuizen en de aanleg van straten.

Tegen het einde van 1937 waren in het kamp al 2.561 gedetineerden. Vanaf april 1938 werden duizenden 'werkschuwen' -mensen die toegewezen werk hebben geweigerd- en daklozen in het kamp geïnterneerd.
In het najaar van 1938 kwamen de eerste Oostenrijkse gevangenen uit Dachau aan in Buchenwald. Tegen het einde van 1938 waren er meer dan 11.000 gevangenen in Buchenwald.

Na het uitbreken van de oorlog in 1939 arriveerden 8.500 mannelijke gevangenen, waaronder 700 Tsjechen, 100-den Roma, meer dan 2.200 Polen en meer dan 1.000 Weense Joden. Drieduizend Polen en Joden werden in het Sonderlager samengeperst, waar ze van honger en uitputting omkwamen.
Eind 1939 waren er 11.807 gevangenen, in de loop van dat jaar bleken er 1.235 in Buchenwald te zijn gestorven.
In 1940 werd begonnen met de bouw van een crematorium in het kamp. In de zomer van datzelfde jaar kwamen ook 232 Nederlandse gevangenen naar Buchenwald. Eind 1940 waren er 7.440 gevangenen, in 1940 zouden er 1.772 sterven.
In de winter van 1941 arriveerde opnieuw een Nederlands transport, met 389 Nederlandse Joden.
Vanaf september 1941 arriveerden ook Sovjet krijgsgevangenen in het kamp.
In 1941 arriveerde een groep Nederlandse gevangenen van de verzetsgroep De Geuzen in het kamp. In maart 1942 kwam er een groep van 179 Nederlandse verzetsmensen.
In 1943 werden vele gevangenen tewerkgesteld in de wapenindustrie.
Begin 1944 werden 348 Noorse studenten geïnterneerd, die in 1943 in Oslo waren gearresteerd. Meer dan 20.000 gevangenen uit Buchenwald en de subkampen waren tewerkgesteld in de wapenindustrie. De gevangenen waren chronisch ondervoed en ongeveer 10% van hen leed aan open tuberculose.
In de zomer van 1944 was het kamp met 31.491 gevangenen overvol. Veel gevangenen moesten noodgedwongen in de open lucht of in tenten bivakkeren. Nog eens 43.500 gevangenen zaten in de 64 subkampen.
Een aantal vrouwenkampen van Ravensbrück werd 'overgenomen' door de leiding van Buchenwald. 200 Roma en Sinti kinderen werden ter vernietiging naar Auschwitz gebracht. In december 1944 waren er 15.500 Joden, de gevangenen uit diverse opgeheven werkkampen werden naar Buchenwald gebracht. In totaal verbleven er meer dan 87.000 gevangenen in het kamp en de subkampen, meer dan een derde daarvan waren kinderen en jongeren tot 20 jaar.

Hekken en uitkijktoren Buchenwald

Door het oprukken van het Rode Leger werden steeds meer gevangenen uit andere kampen naar Buchenwald geëvacueerd. Zo kwamen er 4.200 Joden uit Czestochowa, 7.350 uit Auschwitz en nog eens 7800 uit Groß-Rosen. Degenen die levend aankwamen, waren op sterven na dood door uitputting, kou en honger. Buchenwald werd daarmee het grootste kamp, er verbleven in februari 1945 112.000 gevangenen, waarvan 25.000 vrouwen. Ongeveer een derde was Joods. De omstandigheden werden nu ook door overbevolking steeds slechter. Dagelijks stierven er tientallen mensen door ontberingen.

De dwangarbeid werd tot op het laatst in stand gehouden. Pas op het laatste moment werden subkampen ontruimd, waarbij de gevangenen die te zwak waren om te lopen werden doodgeschoten door SS'ers. Dit leidde tot massaslachtingen bij subkampen in Leipzig, Gardelegen en Ohrdruf. Begin april werd het commando opgevolgd om het kamp te evacueren. Err waren toen 47.500 gevangenen. Ongeveer 28.000 mensen werden in dodenmarsen richting Dachau, Flossenbürg en Theresienstadt gestuurd. Onderweg kwamen 1.000-den van hen om het leven door uitputting of werden vermoord.

Barak Buchenwald

Buchenwald werd op 11 april 1945 bevrijd. Bij de komst van de Amerikanen waren er nog 21.000 gevangenen in het kamp, onder hen 1.000 kinderen jonger dan 14 jaar. Die kinderen konden overleven doordat zij voedsel kregen van de volwassenen, vooral van de Denen die hun Rode Kruis pakketten met hen deelden.
In de eerste maanden van 1945 tot aan de bevrijding waren er 13.969 mensen in het kamp omgekomen, en nog 100-den stierven na de bevrijding aan uitputting en ziekte. Over het aantal doden dat bij de evacuatiemarsen is gevallen lopen de schattingen uiteen, maar zeker is dat het aantal meer dan 9.000 is.
Na de bevrijding dwongen de geallieerden de inwoners van Weimar om het kamp te bezoeken. Aanvankelijk dachten de inwoners dat het een 'uitje' was. Tijdens de kennismaking met de wreedheden in het kamp waren velen geschokt, men beweerde niets te weten van hetgeen in het kamp gebeurde.

In Buchenwald zaten gedurende het bestaan van het concentratiekamp 238.979 mensen opgesloten. Daarvan kwamen er 56.545 om het leven, waaronder 11.000 Joden.