Mozaïek

Geschiedenis

Het ontstaan van de kunstvorm mozaïek gaat ver terug in de tijd. Veel beschavingen hebben de kunstvorm mozaïek ontdekt en zich de techniek eigen gemaakt. De eerste mozaïeken dateren van 3000 v. Chr., gemaakt door de Sumerianen in het oude Mesopotamië, nu bekend als Irak. De Sumerianen gebruikten gekleurde klei dat als een patroon in wanden werd gedrukt.

De Grieken zijn voor het eerst begonnen met het leggen van mozaïeken met verschillende kleuren stenen en het leggen van verschillende patronen en ontwerpen. Zoals de Grieken de kunstvorm mozaïek hebben ontwikkeld, zo wordt het in de 21e eeuw nog steeds toegepast. De Romeinen hebben de techniek van de Grieken verder uitgewerkt. De Romeinen zijn begonnen om natuurlijke stenen uit te snijden in stenen van gelijke grootte, tesserae genaamd. Ze gebruikten ook gekleurde klei en glas om speciale effecten te creëren. De Romeinen zijn ook begonnen met het voegen van de mozaïeken. Door het gebruik van voegen wordt het werk duurzaam. Daardoor zijn er nu nog steeds mozaïeken terug te vinden uit de Romeinse tijd op vloeren en mozaïekwanden vanuit de tijd van het Romeinse Rijk.
De Romeinen pasten veel verschillende stijlen toe bij het leggen van mozaïeken. Van dagelijkse taferelen tot het leggen van geometrische patronen. Dat soort mozaïeken werd gelegd in de natuurlijke kleuren van de materialen zoals grijs, terracotta, oker, wit, dof blauw en groen.

Mozaïek in Pella

In het Byzantijn tijdperk -zo rond 527 na Chr.- breekt er een nieuwe tijd aan voor de kunstvorm mozaïek. Mozaïek werd veel toegepast in Byzantijnse kerken. In deze tijd was Ravenna een rijke keizerlijke stad en de belangrijkste verbinding tussen Oost en West. Toen ontstond er ook een nieuw soort materiaal om mee te mozaïeken, namelijk het glas smalti. Smalti is een door en door gekleurde, ondoorzichtige glassoort, die in Italië wordt gemaakt. Glas werd in eerdere mozaïeken alleen gebruikt om hoogtepunten extra te accentueren. Nu werd glas het belangrijkste materiaal voor de mozaïekkunst. Door het ontstaan van dit nieuwe materiaal kregen mozaïekkunstenaars een groot pallet kleuren om mee te werken. In deze tijd werden de mozaïekkunstenaars meesterlijke ambachtlieden en kopiisten die in kerken werkten aan realistische afbeeldingen.

In het begin van de 20e eeuw werd mozaïek weer ontdekt als een artistiek middel dat een geheel nieuwe soort mozaïek voortbracht. De bekendste persoon die gebruik maakte van de mozaïekkunstvorm in deze tijd is Antonio Gaudí (1852-1926).

Antonio Gaudí bedekte grote oppervlakken van gebouwen met onregelmatig gevormde tegels. Enkele voorbeelden van gebouwen zijn de Sagrada Familia en Casa Batlló. In het Park Güell zijn veel mozaïekvoorbeelden te vinden zoals de salamander en het keramische medaillon in the Hypostyle Hall.

Mozaïek Gaudí - Parc Güell Barcelona

In de 21e eeuw lijkt het maken van mozaïeken overbodig. Er zijn veel snellere en goedkopere manieren en materialen om vloeren en muren mee te decoreren. Toch is de mozaïekkunst nog niet vergeten. Het maken en bedenken van een mozaïek geeft voldoening. Hoe moeilijk het ook is, het blijft een uitdaging en het resultaat is verrassend en omdat het handgemaakt is, blijft het uniek. Voor het maken van een mozaïek is doorzettingsvermogen, uithoudingsvermogen en geduld belangrijk. Maar als men eenmaal de techniek beheerst, geeft het maken van een mozaïek een ontzettend goed gevoel.

Techniek

Mozaïek is een kunstvorm waarbij een afbeelding wordt gemaakt met behulp van een kleine gekleurde steentjes -tesserae-, of stukjes marmer of glas die in een vloer of wand of op een voorwerp -vaas, tafelblad, tuinbank, bloempot, wandbord e.d.- worden gemetseld of gelijmd. Met glas is het mogelijk een glas-in-lood mozaïek te maken. In de Griekse en Romeinse tijd werden in luxe villa's mozaïeken gemaakt, waarop afbeeldingen van keizers, goden of taferelen van alledag waren te zien. Op diverse plaatsen in Europa zijn mozaïeken teruggevonden die tot op de dag van vandaag goed bewaard zijn gebleven.

Men kan een mozaïek op twee manieren maken. Direct en indirect.
De eerste manier -de directe- is een mozaïek op het oppervlak dat het mozaïek zal moeten gaan dragen, opzetten, bijvoorbeeld met potlood of door doordrukken van een afbeelding met carbonpapier, en vervolgens de steentjes daarop lijmen. Deze techniek vraagt vaardigheid en is met name bij vloeren en wanden erg inspannend, omdat de maker voortdurend gebukt op de vloer moet zitten of voor een wand moet staan en alle steentjes één voor één moet bevestigen. Het nadeel van deze methode is dat het uiteindelijke oppervlak niet helemaal vlak zal zijn.

De tweede methode -de indirecte- is het maken van een sjabloon op een stuk papier, karton of stof. Vervolgens worden de steentjes met de verkeerde kant naar boven op de sjabloon gelegd die met een in water oplosbare lijm is ingesmeerd. Dat werk kan op een andere plek, bijvoorbeeld in een atelier, worden gedaan. De sjabloon is het spiegelbeeld van de uiteindelijke afbeelding. Het leggen gebeurt door het mozaïek met de sjabloon naar boven in het cement te drukken. Mozaïeken die op die manier zijn gemaakt, zijn -omdat de sjabloon vlak is- over het algemeen vlakker dan mozaïeken die direct op de vloer zijn aangebracht.
Het gebruik van sjablonen is met name praktisch voor het maken van sierranden met geometrische patronen.
De Romeinse mozaïekleggers pasten ook een combinatie van de methoden toe, waarbij de belangrijkste voorstelling ter plaatse werd gelegd of aangebracht, terwijl de ornamenten en omlijsting door middel van sjablonen werden toegevoegd.

De mozaïekstukjes kunnen worden gezien als de stukjes van een puzzel. Het doel is dat de stukjes mooi bij elkaar aansluiten en zo één geheel vormen. De mozaïekstukjes kunnen allerlei vormen hebben. Als je bijvoorbeeld een tegel stuk slaat met een hamer, krijg je heel grillige vormen. Dat ziet er over het algemeen leuk en spontaan uit, maar het heeft het nadeel dat je vaak lang moet zoeken voordat je een stukje vindt dat precies aansluit bij de andere stukjes. Je kunt de mozaïekstukjes ook knippen met een tang. Dan kun je zelf de vorm bepalen. Je kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om alleen met vierkantjes te werken. Je hoeft dan nooit te zoeken naar stukjes die de goede vorm hebben. Dat werkt dus heel efficiënt. Het heeft ook als voordeel dat je weinig hoeft weg te gooien.

Mozaïek in de Rotunda in Thessaloniki

Er zijn ook tussenvormen, waarbij je de mozaïekstukjes in min of meer willekeurige vormen knipt, maar wel altijd met rechte lijnen. Een mooi effect geeft het als je verschillende vormen met elkaar combineert, dat je de veren van een vogel bijvoorbeeld precies in vorm knipt, je de vogel vervolgens met vierkante stukjes omzoomt en dan de achtergrond met meer gevarieerde vormen invult.

Tegenwoordig kun je mozaïeken kopen waarbij de losse steentjes op een stuk gaas zijn gelijmd. Dat gaas wordt, in tegenstelling tot de sjabloon, direct tegen de wand of op de vloer aangebracht. Daarna wordt de specie of kalk aangebracht waarmee het mozaïek wordt bevestigd. Vanuit de Middeleeuwen is onder meer nog de cosmatentechniek bekend, waarbij op geraffineerde wijze geometrische figuren werden ingelegd. Het betrof een kunstvorm waarbij ingewikkelde non-figuratieve mozaïeken werden gevormd uit verschillend gekleurde stukjes marmer. Naast bijvoorbeeld ronde figuren werden er ook strookvormige figuren toegepast. De techniek werd ontwikkeld in de 12e eeuw en toegepast tot in de 14e eeuw, voornamelijk in Rome. Toen de pausen tijdens de zogenaamde Babylonische ballingschap der pausen –van 1309 tot 1377- in Avignon zetelden, raakte de techniek in verval. De belangrijkste voorbeelden van deze techniek zijn de vloeren van de Sint-Jan van Lateranen en van de Sint-Paulus buiten de Muren in Rome.