|
Samurai |
In
het pre-industriële Japan kregen militaire wachters die krijgskunsten -budo- beoefenden,
zoals kendo (zwaard), judo, aikido (harmonie & energie), laido en kyudo (boog),
en die de belastingontvangers bijstonden of bewakers van edellieden waren, de titel Samurai. Het woord Samurai
is afgeleid van het werkwoord samurau of saburau en betekent: hij of zij die dient.
Aanvankelijk waren de Samurai inderdaad alleen maar dienaren van de Keizer of
van edellieden, maar door
hun toenemende moed, opofferingsgezindheid, gehoorzaamheid
en toewijding, werden hen door de Keizer steeds meer privileges toegekend.
Uiteindelijk verenigden de Samurai zich, zetten een eigen machtsstructuur op en
werden de heersende klasse.
|
|
De
Samurai hadden een eigen gedragscode. Moed, trouw, eer en onverzettelijkheid
voerden in die code de boventoon. Maar ook opleiding.
De Japanse taal, kalligrafie, filosofie en kunst maakten daarvan evenzeer deel
uit als de zwaardkunst. Bijna vanzelfsprekend was de code beïnvloed door het
boeddhisme en door het shintoïsme. Shinto betekent: de weg van de goden. De gedragscode
van de Samurai werd bushidō -de weg van
de krijgers- genoemd.
Hoewel bushidō vooral voor mannen was, moesten
ook de vrouwen leven volgens het principe van bushidō. Al op jonge leeftijd
werden de Samurai-meisjes getraind om hun gevoelens te onderdrukken en hun
zenuwen in bedwang te houden. Ze werden ook onderricht in het zwaardvechten.
Vooral dan met het langzwaard,
een wapen dat sterke gelijkenis vertoonde met de hellebaard, een zwaard dat aan
een stok was vastgemaakt. De vrouw had in die tijd
weinig
of geen bescherming, dus moest ze zichzelf kunnen verdedigen. Natuurlijk was de
vrouw niet alleen bekwaam in de gevechtskunst. Ze moest ook de meer subtielere
kunsten kunnen beheersen zoals zang, dans, literatuur, bloemschikken en
de theeceremonie.
De
Samurai hadden door de hen toegekende privileges een grote macht.
De bekendste privileges waren hantorei en girisute gomen.
Hantorei was het recht om
een daisho -twee zwaarden- te dragen: het langzwaard, de
katana,
en het kortzwaard, de
wakizashi.
Ze werden met de scherpe kant naar boven door de gordel gestoken. De zwaarden van een Samurai waren heilig.
Ze waren de ziel van de Samurai. Het aanraken van deze wapens -zonder
toestemming of op een verkeerde wijze- was een belediging en kon onthoofding
betekenen.
De katana werd gebruikt bij gevechten en de Samurai kon er, indien gebruikt als tweehandig
wapen, een metalen helm mee doormidden klieven en door een harnas heen snijden. Men kende geen schilden
-zoals de
westerse ridders-, maar een goede Samurai liet zijn katana dat werk doen.
De wakizashi
werd onder meer gebruikt bij het plegen van seppuku
-in de volksmond minder respectvol harakiri genoemd-, een op rituele wijze uitgevoerde zelfmoord. Harakiri
betekent letterlijk het opensnijden van de onderbuik en is een bijzonder
pijnlijke manier om
zelfmoord
te plegen. De snee die
gemaakt werd, liep horizontaal van links naar rechts. Vervolgens, wanneer de
Samurai daar nog toe in staat was,
werd er met de tantō -een korte dolk- een verticale snee gemaakt, richting
aorta.
Harakiri
had
de bedoeling om schande, eerverlies te voorkomen.
|
|
![]() |
Het
idee achter seppuku is, dat door het opensnijden van de buik het slachtoffer
zich volledig bloot geeft. Volgens de Japanners zit de ziel van een persoon
namelijk in z'n onderbuik.
Het plegen van seppuku was voorbehouden aan de Samurai en het was een eer om dit
te mogen doen. Seppuku kon de volgende oorzaken hebben:
- niet levend in de handen van een vijand willen vallen om zodoende de schande van
een nederlaag te voorkomen;
- uiting geven aan de haat ten opzichte van een vijand
die niet kon worden benaderd;
- de meester onvrede tonen over een onacceptabele beslissing, de
ultieme wijze dus de meester zijn beslissing te laten herzien;
- het volgen van de meester in de
dood.
Op het slagveld, na een nederlaag, werd seppuku snel en zonder ceremonie
uitgevoerd. Maar als er sprake was van een opgelegde daad, dan werd er veel
aandacht besteed aan de bijbehorende ceremonie. Zo was de locatie altijd een
belangrijk punt. De ceremonie werd vaak uitgevoerd bij een tempel (géén shinto
tempel) of binnenshuis. De grootte van de beschikbare ruimte was ook van belang.
Een Samurai met een hoge rang had recht op een grotere ruimte. Alle zaken met
betrekking tot de ceremonie waren tot in detail uitgewerkt en werden uiterst
nauwkeurig uitgevoerd.
De Samurai die seppuku pleegde, werd gesecondeerd door een Kaishaku. De Kaishaku
was verantwoordelijk voor het onthoofden van het slachtoffer om te voorkomen dat
er een lange pijnlijke dood geleden moest
worden. Wanneer het slachtoffer zijn nek aanbod wist de Kaishaku dat het tijd
was om zijn werk te doen.
Wanneer een vrouwelijke samurai seppuku pleegde, dan werd dat jigai genoemd.
Voor het uitvoeren van jigai bond ze haar enkels aan elkaar, zodat ze ook tijdens
haar dood een fatsoenlijke houding zou aannemen. In plaats van het opensnijden
van de buik, maakte ze een snee in haar hals.
Het
was een schande voor een Samurai en voor zijn familie om, zoals bij een vergrijp
of misdaad, veroordeeld te worden tot de doodstraf. Zijn heer of daimyō
-letterlijk: grote naam- kan
echter als bijzondere gunst de doodstraf omzetten in seppuku. Hiermee werd de
eer van de Samurai en zijn familie weer gered.
Girisute gomen was het recht om te snijden en door te lopen. Dat hield in dat
een Samurai het recht had iemand van een lagere klasse te doden als die hem
niet genoeg respect toonde.
Verder kon het beledigen van een andere Samurai reden zijn voor een duel.
|
|
Naast
de katana en de wakizashi had de Samurai ook de beschikking over andere wapens,
zoals een korte dolk, die bijvoorbeeld ook gebruikt moest worden bij seppuku,
een speer en een pijl en boog.
Een
Samurai droeg een harnas. Dat bestond uit een borstkuras, handschoenen, mouwen,
een heupschort, dijbeenstukken en een helm. Afgezien
van de bescherming was de kleding, en dan met name de helm, bedoeld als
afschrikking. De Samurai probeerde er zo indrukwekkend mogelijk uit te zien.
Het was voor de Samurai zeer oneervol om gevangen genomen te worden.
Hun houding t.o.v. iemand die zich gevangen had laten nemen was bijzonder
laatdunkend, zo iemand verdiende geen normale behandeling. Dat verklaart
enigszins de behandeling van gevangen Nederlanders en anderen in de Jappenkampen
in Nederlands-Indië. De eigen gevangen genomen soldaten werden ook zo
behandeld. Hier speelde de oude Samurai-code zeker nog een grote rol.
De Europese ridders in de Middeleeuwen zijn tot op zekere hoogte te
vergelijken met de Japanse Samurai. Ook de Europese ridders hadden omvangrijke
harnassen en maliënkolders aan als zij ten strijde trokken en ook zij
kenden gedragscodes, maar waarschijnlijk werd daaraan niet altijd zo strikt
de hand gehouden. Dat is één van de grote verschilpunten tussen de Christelijke
'zondecultuur' en de Japanse 'eer- of schaamtecultuur'.