BEROEPSGROEPEN

Mali kent een kastensysteem. Een kastensysteem is dus niet uniek voor India en binnen India ook niet voor de hindoes. Ook in delen van noordelijk Afrika, met name de christelijke en moslim monotheïstische gebieden, in Latijns-Amerika en in Arabië bestaan kastensystemen. In al die landen zijn weinig pleitbezorgers voor de afschaffing. Bijna overal zijn de kastensystemen gebaseerd op afstamming, etniciteit en/of huidskleur. Met religie hebben de systemen relatief weinig te maken. Behalve dan dat ongeveer alle religies, ook monotheïstische, plaatselijk het kastensysteem bevestigen.
In Mali zijn de kasten geheel of voor het allergrootste deel verbonden aan beroepen. Zo zijn er de kasten van de veetelers,  van de vissers en de botenbouwers, van de landbouwers en van de verschillende ambachtslieden, zoals de metselaars, de ijzersmeden, de goudsmeden, de leerbewerkers, de houtbewerkers en de wevers. De ijzersmeden zijn het meest gerespecteerd, want zij maken gereedschap waarmee de grond wordt bewerkt. De zonen van de ijzersmeden worden ijzersmid, daarover bestaat geen discussie!  En de vrouwen van de ijzersmeden hebben het recht van pottenbakken. Dan is er nog de eeuwenoude kaste van griots, de kaste van de professionele musici, de zingende verhalenvertellers annex lofzangers en stamboomkenners van West-Afrika, ooit in dienst van adellijke families en hoven. Ze vertelden zingend de geschiedenis van het land en hielden via lofzangen de eer van families hoog. Nu zoeken ze naar behoud van hun werk. Velen hebben al een nevenberoep.
De Afrikaanse kasten hebben niets te maken met 'onaanraakbaarheid' of minderwaardigheid, zoals in India.

De veetelers
De Peul zijn veetelers. In de 19e eeuw hebben veel Peul zich in dorpen gevestigd. Een aantal trekt nog met een kudde rond. Als het water na de zware regens wegtrekt en de oogsten zijn binnengehaald, laten de Peul hun vee grazen in de groene Binnendelta.

De vissers en de botenbouwers
De Binnendelta is rijk aan vis. De oorspronkelijke bewoners van dit gebied zijn de Bozo. Het zijn voornamelijk vissers en botenbouwers. De Bozo vissen in ondiep water met schep- en werpnetten en fuiken. De voor de Binnendelta typische boten maken ze van geïmporteerde planken. Deze boten kunnen wel 20 m lang zijn. De Bozo jagen ook op nijlpaarden en krokodillen.
De Somono zijn meer gespecialiseerd in het vissen in diep water. Ook het transport over water is van oudsher aan hen toevertrouwd. De Somono worden meestal aangeduid als het broedervolk van de Bozo. Feitelijk zijn ze echter geen volk, maar meer een beroepsgroep.
          

De landbouwers
Landbouw is al eeuwenlang een belangrijk middel van bestaan. Op de natte komgronden in de Binnendelta verbouwen de Soninké rijst. De hoger gelegen drogere gronden worden door de Bambara gebruikt voor gierst. Het belangrijkste landbouwwerktuig is nog altijd de hak.
Vroeger fungeerde de Binnendelta als graanschuur voor Tombouctou.

De metselaars
Alleen het ambacht van metselaar kent een gilde-achtige structuur. De organisatie van metselaars, de barey-ton, verzorgt de opleiding tot metselaar. In de eerste fase maken de leerlingen kennis met het gereedschap en de bouwmaterialen. Daarna worden metseltechnieken aangeleerd en tenslotte ontwerpvaardigheden.
De barey-ton heeft een hiërarchische structuur. Onderaan staan de leerlingen. De tweede groep op de maatschappelijke ladder zijn de jongere, volleerde metselaars die het beroep zelfstandig uit kunnen oefenen. De top wordt gevormd door de meester-metselaars. Deze groep bestaat uit actieve en uit 'rustende' meesters. De meester-metselaars kennen de magische, geheime spreuken van het ambacht die zowel het gebouw als de bouwer tegen onheil beschermen. De barey-ton is van essentieel belang om de hoge kwaliteit van de architectuur te behouden en om de daarvoor nodige kennis door te geven aan volgende generaties.
Metselaars hebben weinig gereedschappen. Het meeste werk, ook het pleisteren gebeurt met de blote hand. Eens in de twee à drie jaar moeten de huizen opnieuw worden bepleisterd, omdat de pleisterlaag door de regen in de regentijd wegspoelt.

De ijzersmeden
De meeste ijzersmeden behoren tot de Somono. De smidse is vaak een apart gebouw met dikke muren, vlakbij de woning van de smid. Het middelpunt is de vuurkuil, een uitgeholde sleuf in de lemen vloer, waarin ook de buizen van de blaasbalg uitmonden. In de smederijen wordt in familieverband gewerkt. Een kind bedient over het algemeen de blaasbalg.
De smeden verkopen hun producten op de plaatselijk weekmarkten. Op het platteland wordt veelal reparatiewerk verricht.
Een te vermelden bijzonderheid is dat de inwoners van Djenné aan het water waarin de smid het gloeiende metaal afkoelt een geneeskrachtige werking toekennen.

De pottenbaksters
Aardewerk wordt alleen door vrouwen gemaakt. Veel pottenbaksters komen uit de families van ijzersmeden. Bij de Peul maken vrouwen uit families van wevers, leerbewerkers en houtbewerkers aardewerk.
De Somono en de Peul pottenbaksters passen een verschillende opbouwtechniek toe. Bij de Somono pottenbaksters is dat de moulagetechniek in een holle aardewerk vormschaal. De Peul pottenbaksters gebruiken de hamertechniek in een holle, vaak houten vorm en de moulagetechniek over een omgekeerde oude pot. Alle pottenbaksters  gebruiken de worsttechniek (waarbij rollen klei een voor een worden aangebracht) om de bovenkanten van potten te maken. Het aardewerk wordt versierd met houten of ijzeren stempels, ijzeren kammetjes of rolkoordjes.
De pottenbaksters vormen uiteraard geen aparte kaste. Zij behoren immers tot de kaste van hun families.

De besnijders
Ook besnijders, bijna steeds vrouwen, behoren vrijwel altijd tot de kaste van de smeden. Het beroep van besnijder wordt dus door geboorte bepaald. Besnijders worden betaald voor hun diensten: voor de besnijdenis zelf en, afhankelijk van de wijze van de besnijdenis, eventueel het dichtnaaien en opensnijden van de vagina om seksuele omgang mogelijk te maken.
Ook de besnijders vormen -als behorend tot de kaste der smeden- geen aparte kaste.

De goudsmeden
Naast de ijzersmeden bestaat er een aparte beroepsgroep van goudsmeden. De meeste goudsmeden behoren tot het Arma-volk, dat nauw verwant is aan de Songhai. Zij vormen nu de sociale bovenlaag. Goudsmeden werken ook met zilver, koper en diverse legeringen. Zij maken zeer verfijnd filigraan, maar ook de massieve halvemaanvormige gouden oorbellen die door de Peul vrouwen worden gedragen.

De leerbewerkers
Veel leerbewerkers behoren -evenals de goudsmeden- tot de sociale bovenlaag, de Arma. De Arma leerbewerkers maken vooral slippers, kniehoge rijlaarzen met losse instapslippers, kussenovertrekken en portefeuilles. Ze gebruiken vooral schapen- en geitenleer en ongelooide koeienhuid voor de zolen. De tweede grote groep leerbewerkers behoort tot de Peul. Hun producten zijn gevarieerder dan die van de Arma. Zij maken omhulsels voor amuletten, portefeuilles, schedes voor messen, omslagen voor de Koran, sandalen, zadeltassen, versierd tuig voor paarden en soms zadels. Hun gereedschappen bestaan uit verschillende messen en scharen, schraapmessen, priemen en poleerstokjes. Een lange houten plank dient als werkblad. Hun gereedschapsset is eenvoudig te vervoeren en zij nemen die mee naar de wekelijkse markten en naar dorpen in de omgeving.

De houtbewerkers
In de literatuur over de Peul wordt gesproken over de Labbe, een kaste van houtbewerkers. Deze Labbe maken deel uit van de sociale hiërarchie van de Peulsamenleving in de Binnendelta. Ook de hofzanger in de Hayre (het gebied ten zuiden van de bergketen tussen het Bandiagara plateau en Mont Hombori) vermeldde het bestaan van deze houtbewerkerkaste. Vandaag de dag zijn er echter geen Labbe meer in de Hayre. Hun plaats lijkt te zijn ingenomen door de Gargasaabe, de leerbewerkers, een ambachtskaste van de Toeareg.

De wevers
In West Afrika wordt zowel door mannen als vrouwen geweven. De wevers doen hun werk aan de rand van het dorp. Het beroep van wever, net als dat van de ijzersmeden en de leerbewerkers, gaat als regel over van vader op zoon.
Veel wevers werken alleen in de droge tijd en dan nog slechts als ze in staat zijn voldoende katoengaren te kopen.
Voordat de ruwe katoen tot draden kan worden gesponnen, moet deze ontpit en gekaard worden. Dat doen vrouwen. Ook het spinnen van katoen tot garen is uitsluitend vrouwenwerk.
De wevers vormen met name in het enorme gebied van de Binnendelta een kaste.

De griots
De kaste van griots staat hoog aangeschreven bij het hof in Mali. Griots of griottes in de vrouwelijke vorm, zijn dichters, historici en troubadours. Ze staan ook bekend als woordsmeden. De griot-traditie vindt zijn oorsprong in de 13e en 14e eeuw, toen een groot aantal West-Afrikaanse landen verenigd waren in het koninkrijk Mali. Volgens de overlevering was de eerste griot een raadsman van de koning. Tegenwoordig zingen griots legendes en lofzangen en zorgen er op die manier voor dat de tradities van het Mande-volk -Mande beslaat de landen Guinee, Mali, Senegal en Gambia, maar loopt ook door tot in Mauritanië en Niger in het noorden en Ghana en Nigeria in het zuiden- overgeleverd worden aan volgende generaties. Aldus vervullen ze een belangrijke rol als 'collectief geheugen' van de samenleving.  Tijdens hun vertellingen begeleiden ze zichzelf op de kora, een 21-snarig instrument dat nog het best vergeleken kan worden met een harp of een luit. De klankkast wordt gemaakt van een grote kalebas. Een griot heeft het alleenrecht om muziek te maken en verhalen te vertellen.
Omdat griots alleen kunnen trouwen met leden van de eigen griot gemeenschap, vormen ze een soort aparte kaste. De griots worden dikwijls beschouwd als de laagste kaste na die van de ambachtslieden (na de smeden, de leerbewerkers, de houtbewerkers en de wevers).

De Dogon hebben hun eigen maatschappelijke structuur.
De Dogon gemeenschap kent een duidelijke onderverdeling in beroepsgroepen die echter meer naast elkaar staan, dan dat er sprake is van een hiërarchie. De grootste groepen worden gevormd door de landbouwers en de tuinbouwers. De veetelers volgen. Dan zijn er de wevers, de leerbewerkers, waartoe ook de ververs behoren, de smeden en de mandenvlechters. Er worden geen huwelijken gesloten tussen de leden van de verschillende groepen. Ook de vrouwen hebben hun taken. Deze worden bepaald door de groep waartoe ze behoren. De weversvrouwen verven, de vrouwen van smeden bakken potten. En de vrouwen van de leerbewerkers bewerken kalebassen. De vrouwen van de landbouwers hebben hun eigen taken op het land.