BOEDDHISME

 

De grondgedachten van het boeddhisme zijn door Boeddha neergelegd in zijn  beroemde prediking te Sarnath, bij Benares (Varanasi), gelegen aan de Ganges in Noord‑India. Daarin leerde hij de zogenaamde 4 edele waarheden.

Allereerst die van het leven als lijden. Leven is geboorte, ouderdom, ziekte, scheiding, dood en ga zo maar door.

De tweede waarheid leert het ontstaan van het lijden, namelijk de begeerte naar leven, die van wedergeboorte naar wedergeboorte voert en  de begeerte naar lust en macht.

De derde waarheid spreekt over de opheffing van het lijden door de opheffing van de begeerte naar het leven, door de volkomen vernietiging van die begeerte. De vierde en laatste waarheid is de waarheid van de weg die leidt tot opheffing van het lijden. Die weg is het achtvoudige pad. Acht treden telt de weg naar verlossing uit het samsara, de cyclus van leven en dood. De eerste trede is het geloof in Boeddha en de door hem ontwikkelde heilsweg Aan het einde van de weg ligt het nirvana: goed inzicht, goed denken, goed praten, goed handelen, goed leven, goed streven, goed gedenken en zich goed verdiepen.

Boeddha zelf ontkende noch bevestigde het bestaan van goden. Praktijk is dat Boeddha zelf het centrale object in de leer is. Omdat het boeddhisme geen god als schepper kent, kent het ook geen ziel, naar Gods beeld geschapen. Ieder mens moet zelf zijn leven reinigen, zijn karma doorbreken, het lijden van zijn bestaan inzien en het tijdelijke van zijn bestaan inzien. Beloningen en straffen hebben strikt genomen in dit systeem geen plaats. Er is slechts de ijzeren wet van oorzaak en gevolg, waardoor goed en kwaad automatisch vrucht dragen in dit of in een volgend bestaan.

 

Boeddhabeeld in Botataung Paya