|
DYNASTIEËN |
Shang-dynastie (vermoedelijk 1750 - 1122 v. Chr.)
De Shang-dynastie is de eerste beschaving waar daadwerkelijk bewijzen van zijn gevonden in de Noord-Chinese vlakten rond de Gele Rivier, in de huidige provincies Shandong, Henan en Hebei en in delen van Shaanxi en Shanxi. Ze maakten gereedschappen en voorwerpen van brons, gegoten in aardewerken vormen. Rondom het leefgebied van de Shang ontstonden andere staten die wel veel van de Shang-cultuur overnamen, maar verder politiek onafhankelijk bleven.
Zhou-dynastie (1050-256 v. Chr.) en Qin-dynastie (221 v. Chr.-206 v. Chr.)
Door één van
deze staten, de Zhou, werden de Shang omstreeks 1050 v. Chr. verslagen. De Zhou
(1050-256 v. Chr.) regeerden over een zeer groot gebied door middel van een
feodaal stelsel, waarbij adellijke families van de machthebbers over de
verschillende Zhou-staten de scepter zwaaiden. Het rijk was zelfs zo groot dat
er een tweede hoofdstad gebouwd werd in Luoyang. Maar de grootte van het rijk
was tevens haar zwakte. De edelen in de afgelegen gebieden deden waar ze zin in
hadden, want van een sterk centraal bestuur kon geen sprake zijn. Hierdoor was
het voor kwaadwillende machten niet moeilijk om de Zhou aan te vallen en snel te
verzwakken. In 771 v. Chr. werden de Zhou dan ook richting oosten verdreven door
‘barbaren’ en ontevreden onderdanen.
De oostelijke Zhou-dynastie wordt in de geschiedschrijving in 2 periodes
verdeeld, de ‘Lente- en Herfst-periode’ en de ‘Periode der Strijdende Staten’,
die onderling veelvuldig oorlog voerden. De Qin, die rond de westelijke
hoofdstad woonden, bleven uiteindelijk als sterkste macht over en versloegen in
256 v. Chr. de Zhou, en de andere staten in 221 v. Chr. De Qin-dynastie bleek
zeer sterk en machtig en zou een grote invloed op de verdere geschiedenis van
China hebben. De stichter van de dynastie, Qin Shihuangdi, werd de “eerste
keizer” genoemd en was voor bijna alle Chinezen een aansprekende figuur. Hij
regeerde echter zeer autoritair en China werd verdeeld in graafschappen en
militaire regio’s, die wel centraal bestuurd werden. Er werden zelfs regels
opgesteld voor de geschreven taal en voor gewichten en maten.
Intellectuele tegenspraak werd niet geduld en dat was één van de redenen dat er
al snel verzet kwam tegen Qin, die in 214 v. Chr. het Chinese gebied al had
uitgebreid tot in het huidige Vietnam. In 210 v. Chr. overleed Qin en zijn drie
opvolgers waren niet bij machte om het nog altijd latent aanwezige verzet te
breken.
|
|
Han-dynastie (206 v. Chr.-220 na Chr.), Tang-dynastie (618-907) en Song-dynastie (960-1279)
Na de
Qin-dynastie ontwikkelde zich de Han-dynastie (206 v. Chr.-220 na Chr.), die
slim van het verzet onder de bevolking profiteerde. De staat werd geregeerd op
basis van het Confucianisme -ieder individu en iedere machthebber dient het
geluk van de ander na te streven en daarbij zijn een goede opleiding en bepaalde
rituelen van groot belang- en er brak een periode aan van grote bloei van de
cultuur en de wetenschap. Belangrijk in deze periode was ook de openstelling van
de Zijderoute naar het westen en de intrede van het boeddhisme. Bovendien werden
verschillende regio’s veel sterker verbonden met elkaar waardoor er langzaamaan
een groot Chinees rijk ontstond met een eigen identiteit.
Han Wudi was de 7e keizer van China ten tijde van de Han-dynastie. Hij heerste
van 141-87 v. Chr.. Onder Han Wudi's heerschappij vergrootte China zijn
territorium aanzienlijk en werd het een sterk gecentraliseerde confucianistische
staat. Hij wordt in de Chinese geschiedenis aangehaald als de grootste keizer
van de Han-dynastie én als één van de grootste in China ooit. Onder Han Wudi
werd de Han-dynastie één van de sterkste samenlevingen ter wereld. Hij dwong
gehoorzaamheid af door gunstelingen ruimhartig te belonen en strenge straffen
door te voeren. Han Wudi was zeer bijgelovig, waardoor hij veel sjamanen,
astrologen en alchemisten naar het keizerlijk hof liet halen.
|
|
De ondergang van de Han-dynastie was onder andere te wijten aan de economische opkomst van de regio’s rond de zuidelijke Sichuan-laagvlakte en de Yangtse-vallei. Men voelde zich op een gegeven moment sterk genoeg om opstanden te organiseren die er uiteindelijk toe leidden dat China in 3 statendelen uit elkaar viel: De Wei, de Shu en de Wu. Deze 3 staten voerden eeuwenlang strijd en oorlog om de hegemonie, met als gevolg dat het Chinese rijk nog meer versnipperde en de totale chaos uitbrak. Uit deze verwarrende periode kwamen tenslotte toch weer twee machtige dynastieën naar voren, de Tang- en de Song-dynastie.
Tijdens de
Tang-dynastie (618-907) groeide en bloeide het Chinese rijk als nooit te voren.
Zo telde de hoofdstad Chang’an -nu: Xi’an- meer dan 2 miljoen inwoners en was
daarmee op dat moment zeer waarschijnlijk de grootste stad ter wereld. Het
Chinese rijk was in die tijd ook uitstekend georganiseerd. Wetten golden voor
het hele land en overal werden confucianistische scholen opgericht. Verder werd
er veelvuldig handel gedreven met het buitenland en bereikte het boeddhisme haar
hoogtepunt. In dezelfde Tang-periode beleefde het boeddhisme ook een neergang
omdat men deze invloed van buitenaf te machtig zag worden.
Tijdens de Tang-dynastie werden verder grote politieke vernieuwingen
gerealiseerd en werd het aanvankelijk armere zuiden steeds rijker. De
Tang-periode was er één van verstedelijking en van een bloeiende buitenlandse
handel. Verder werden er vele ontdekkingen en uitvindingen gedaan, maar het was
ook een tijd van een zekere decadentie en China als militaire macht stelde niet
zoveel voor. Het boeddhisme had nog steeds te lijden onder de onderdrukking
tijdens de Tang-periode en het denken in China werd 800 jaar lang bepaald door
het neo-confucianisme.
Uiteindelijk kwam er een einde aan deze ook op cultureel gebied bloeiende
periode door economische problemen. Met name de steeds rijker en machtiger
wordende landadel zorgde uiteindelijk voor de desintegratie van de
Tang-dynastie, een proces dat zich over een periode van vijf eeuwen voltrok.
|
|
De Song-dynastie (960-1279) bracht weer eenheid in het verscheurde rijk. Men had echter al snel te lijden onder invallen van de ‘barbaarse’ Khitans die vanuit het noorden in 946 de hoofdstad Kaifeng veroverden en de Song naar het zuiden verdreven. Deze bezetting van het noorden van China zou 300 jaar duren.
|
|
Mongoolse overheersing (1279-1368)
In de 13e eeuw
slaagden de Mongolen erin om geheel China te veroveren. Onder leiding van de
befaamde Djengis Khan werd in 1215 Beijing veroverd. Het toenmalige Mongoolse
rijk werd na de dood van Djengis Khan verdeeld onder zijn drie zoons en een
kleinzoon. Zoon Ogodai viel China opnieuw binnen en versloeg de Khitan-heersers
in het noorden. De Song in het zuiden hielden 5 decennia stand, maar werden in
1279 verslagen door de kleinzoon van Djengis Khan, Kublai Khan. Hij heerste
vanaf die tijd over heel China en koos Yuan als naam voor zijn dynastie.
Het leven onder de Mongolen was voor de Chinezen niet gemakkelijk. Ze moesten
zich qua kledij, tradities, taal en eten volledig aanpassen aan de
Mongoolse gewoonten. De confucianistische denkbeelden en de bestuurspolitiek
mocht men wel behouden.
De Mongoolse periode kenmerkte zich ook door de veelvuldige contacten met het
buitenland, onder andere met het islamitische Perzië en met Europa, waarvan
Marco Polo (1271) de bekendste vertegenwoordiger zou worden. Zelfs het
rooms-katholicisme werd als nieuwe godsdienst geïntroduceerd en er werden zelfs
afgezanten naar de paus gestuurd. In de Ming-periode verloor de katholieke kerk
al het gewonnen terrein. Al vóór die tijd raakten de Mongolen hun greep op het
enorme rijk kwijt. Verder werd het rijk geteisterd door grote overstromingen,
hongersnood en opstanden.
|
|
Ming-dynastie (1368-1644)
De
Ming-dynastie (1368-1644) zou het van de Mongolen overnemen, aanvankelijk geleid
door de stichter van de dynastie, Zhu Yuanzhang, die later keizer werd. Hij
verjoeg de Mongolen en vestigde de hoofdstad in Nanjing. Na de dood van Zhu brak
er een burgeroorlog uit en uiteindelijk zou zijn zoon de beoogde opvolger van
Zhu verdrijven. Hij zou zichzelf keizer Yongle gaan noemen en één van de meest
befaamde Ming-keizers worden. Als eerste daad van belang verplaatste hij de
hoofdstad naar zijn machtscentrum Beijing.
Yongle zette een aantal grote projecten in gang zoals de reconstructie van de
Chinese Muur en grote volksverhuizingen om land te koloniseren. Verder wisten de
Chinezen hun invloed op de belangrijke handelsroutes te vergroten, dit laatste
onder leiding van een eunuch-admiraal. Deze lucratieve expedities werden meteen
stopgezet toen de dreiging van de Mongolen en het wantrouwen jegens de
eunuch-aanvoerders toenam. Chinese burgers werd verboden nog langer naar het
buitenland te reizen en hierdoor raakte China steeds meer geïsoleerd.
|
|
Mantsjoe-dynastie, ook wel Qing-dynastie genoemd, de laatste keizerlijke dynastie (1644-1912)
Tegen het
midden van de 17e eeuw werden de staatseunuchen steeds machtiger en naderde het
einde van het Ming-tijdperk met rasse schreden. Boze boeren sloten zich aaneen
en vormden benden van opstandelingen die naar Beijing optrokken en de stad
veroverden. Dit duurde echter maar kort want al in 1644 werd Beijing veroverd
door een Mantsjoe-leger uit het noordoosten.
De Mantsjoes werden geleid door Nurhaci die in 1616 al de staat Mantsjoerije had
opgericht. De zoon van Nurhaci, Abahai, riep in 1636 de Qing-dynastie uit en hij
was het die in 1644 Beijing veroverde op de boerenlegers.
Onder de Mantsjoes werd het redelijk rustig in het Chinese rijk. Onder
keizer Kangxi (1654-1722) werden landbouwhervormingen voltooid en onder zijn
kleinzoon, keizer Qianlong (1711-1799), breidde het Chinese rijk zich
aanvankelijk steeds verder uit, maar wederom boerenopstanden en toenemende
westerse inmenging zorgden voor veel onrust.
|
|
De grote
invloed van de westerlingen op de handel zorgde ervoor dat in het
Verdrag van Nanjing een bepaald aantal havens werd opengesteld voor buitenlandse
ondernemingen, later gevolgd door nog meer vrije havens. De Mantsjoes besloten
de westerlingen te negeren, maar dat bleek een bijna onmogelijke zaak. Zo hadden
ze een grote invloed bij de ‘Opstand van de Hemelse Vrede’ die bijna 20 jaar
duurde en meer dan 20 miljoen levens kostte.
Sommige Chinezen zagen de noodzaak van hervormingen in, maar anderen verzetten
zich tegen elke poging tot modernisering van de samenleving. Toch werden er veel
Chinese jongeren naar het buitenland gestuurd om de technische ontwikkelingen in
het westen nauwkeurig te volgen en er werden wat telegraaflijnen en spoorwegen
aangelegd.
In de 19e eeuw nam de Europese invloed, mede als gevolg van de industriële revolutie, nog verder toe. De Qing moesten zogenaamde ‘concessies’ aan buitenlandse mogendheden toestaan, invloedssferen erkennen en ongelijke verdragen tekenen. Aan de oost- en zuidkust oefenden West-Europese mogendheden hun commerciële en militaire invloed uit, in het noorden drongen de Russen op, wat werd vastgelegd in het Verdrag van Aigun in 1858 en in de Conventie van Peking in 1860. De binnenlandse stabiliteit werd steeds minder. Na de door de Britten geïnitieerde Opiumoorlog in de jaren ‘40 en de Taiping-opstand (1850-1871) bleek steeds duidelijker dat de Qing de uitdagingen van de moderne tijd niet aankon en op zijn laatste benen liep. De anti-Westerse, maar mislukte Bokseropstand (1899-1901) betekende ernstig gezichtsverlies voor het keizerrijk. Weliswaar trachtte men hervormingen door te voeren om zich aan de tijd aan te passen, maar deze versnelden het einde alleen maar.
In 1912 werd de laatste keizer afgezet. De Qing-dynastie moest het veld ruimen voor de Republiek China.
Aisin-Gioro
Pu Yi (1906-1967) was onder de naam Xuantong de 12e en laatste keizer van de
Qing-dynastie en tevens de laatste keizer van China.
Na de dood van zowel keizerin-moeder Cixi als keizer Guangxu kwam Pu Yi in 1908
op 3-jarige leeftijd op de troon onder regentschap van zijn vader.
|
|
Al in
oktober 1911 brak de Xinhai-revolutie uit en op 12 februari 1912 deed Pu Yi
afstand van de troon. Hij bleef officieel nog tot 1924 keizer maar was in feite
een gevangene, opgesloten in de Verboden Stad.
In 1917 werd Pu Yi zelfs opnieuw tot keizer van China uitgeroepen: generaal
Zhang Xun, één van de krijgsheren, slaagde er toen namelijk in de Chinese
hoofdstad Peking te veroveren en hij probeerde het keizerrijk te herstellen door
Pu Yi weer op de troon te zetten. Twaalf dagen later werd het keizerrijk echter
weer ten val gebracht door een andere krijgsheer, generaal Duan Qirui, en moest
Pu Yi dus opnieuw afstand doen van de troon.
Tijdens de Japanse bezetting stichtten de Japanners Mantsjoekwo, en om goede wil
te kweken bij de bevolking werd Pu Yi er de keizer van. Maar hij had weinig
macht, want hij was slechts een marionet van de Japanners.
Aan het eind van WO II werd Puyi gevangen genomen door het Rode leger en naar de
Sovjet-Unie gebracht. In 1950 werd hij door de Sovjetautoriteiten overgedragen
aan het -inmiddels- communistische regime van Mao en gearresteerd wegens
collaboratie met de Japanse bezetters en vervolgens in een heropvoedingskamp
voor oorlogscriminelen geïnterneerd in Shenyang en later Harbin. In
december 1959 kreeg hij amnestie van Mao Zedong, waarbij hij door
premier Zhou Enlai persoonlijk werd ontvangen. Enige tijd later nam hij het
beroep aan van tuinman in de Botanische tuin van Peking. In 1964 publiceerde hij
zijn autobiografie 'From emperor to citizen'. Daarin schreef hij onder meer dat hij
als tuinier voor het eerst kon doen wat hij graag deed zonder de bemoeienissen
van machtige politici. In 1967 overleed Pu Yi, min of meer als vrij man, in
Peking aan nierkanker. Hij had geen kinderen.
Pu Yi's leven werd verfilmd door de Italiaanse regisseur Bernardo Bertolucci,
als L'Ultimo Imperatore (1987) (The Last Emperor), een film die niet minder dan
9 Oscars won.
|
|